Professor Alex van Stipriaan hield een speech.

“Dames en Heren,

In het voorjaar van 1773 komen drie broers Frans, Volkert en Jacob Saffin aan in de haven van Rotterdam. Ze komen uit Suriname, waar ze een aantal plantages bezitten en daarnaast flink verdienen aan het beheren van plantages voor anderen. Bovendien zitten ze ook in het bestuur van de kolonie. Het zijn dus machtige en vermogende mannen. Dat blijkt ook uit hun gezelschap. Want tot hun gevolg behoren –en nu citeer ik uit de scheepsregisters: “de vrije mulattin Janneton, de vrije negerin Cicilia, de vrije neger Pierro, de negerin Princes, de neger Coridon en Frans Saffin’s ‘negerjongen Arleqijn”. Het zijn termen die we nu niet meer gebruiken, maar ik citeer ze toch omdat het heel duidelijk laat zien dat een Afrikaan die uit Suriname of de Antillen kwam, automatisch als slaaf werd beschouwd, tenzij er speciaal bij werd vermeld dat hij of zij een vrije was.
Deze zes Afro-Surinamers kwamen dus aan in Rotterdam en moeten hun ogen hebben uitgekeken. Al was het maar omdat ze voor het eerst in een land waren waar iedereen wit was, of in hun ogen waarschijnlijk rose. In Rotterdam woonden toen zo’n 50.000 mensen, ruim 5x zoveel als in Paramaribo op dat moment.

Waarom vertel ik u dit? Omdat er drie opmerkelijke dingen aan dit verhaal zitten. Een verhaal overigens, dat niet uniek was, er kwamen wel vaker schepen met slavenbediendes aan in de Nederlandse havensteden en dus ook in Rotterdam. Maar het opmerkelijke was dat mensen als Princes, Coridon en Arleqijn aankwamen in Rotterdam als slaafgemaakten, maar eigenlijk meteen na aankomst geen slaaf meer waren. In Nederland zelf bestond namelijk juridisch geen slavernij. Dit land wilde graag geld verdienen aan mensenhandel en slavenarbeid, en maakte daar ook de wetgeving voor die dat toestond, maar dan wel ver weg en niet met mensen van dezelfde huidskleur. Slavernij was iets voor in de koloniën, níet voor Nederland zelf. Dat betekent dat slavernij dus niet iets normááls was, in ieder geval níet voor eigen volk, alleen voor sommige anderen.
Het tweede opmerkelijke aan het voorbeeld is dat er toch ook vrije Afrikaanse mensen in Suriname en de Antillen rondliepen tijdens de slavernij. Zij waren vrijverklaard vanwege speciale verdiensten die ze hadden, of ze hadden zichzelf op enige manier weten vrij te kopen. Dat betekent dus dat hoe dan ook, ook voor slaafgemaakten, een bestaan in vrijheid als het hoogste goed werd beschouwd door de koloniale overheid. Zó normaal of vanzelfsprekend was slavernij dus kennelijk toch niet.
Het derde opmerkelijke is dat er dus al enkele eeuwen geleden slaafgemaakte Afrikanen in Rotterdam rondliepen, die uit de eerste hand konden vertellen hun ervaringen in de slavernij.

Dit alles betekent dat als vandaag iemand tegen u zegt dat in die tijd slavernij nu eenmaal normaal was, of dat in die tijd de mensen nu eenmaal niet beter konden weten, u altijd zult kunnen zeggen: dat is onzin, dat is je willen verstoppen voor de werkelijkheid, dat is hetzelfde als Duitsers die na de oorlog over de holocaust zeiden: Ich habe es nicht gewusst.
Moet daarvoor een monument worden opgericht? Absoluut.

Rotterdam is een stad die van de eerste tot de laatste dag van het Nederlandse slavernijsysteem, zo’n twee-en-een-halve eeuw lang met al zijn vezels betrokken is geweest bij de slavernij. En als we er vanuit gaan dat die geschiedenis ook in het heden nog sporen achterlaat, dan geldt dat in hoge mate dus ook voor Rotterdam.

Dit is de stad waarvan 1 op de 6 à 7 inwoners een directe familieband heeft met de landen waar de slavernij heeft plaatsgevonden. De meesten van hen met voorouders die in slavernij hebben geleefd.

Dit is de stad die bij de oprichting van Nederlands grootste slavenhandels-onderneming in het Atlantisch gebied, de West Indische Compagnie, WIC, daarin een aandeel kreeg van ongeveer 10%. Dat komt overeen met de ongeveer 10% van de Nederlandse slavenhandel die onder Rotterdamse vlag heeft plaatsgevonden. We hebben het dan over 60.000 Afrikanen die met Rotterdamse schepen gedwongen de Atlantische Oceaan moesten oversteken om nooit meer terug te keren.

Dit is ook de stad waar de een na grootste particuliere slavenhandelsonderneming van Nederland was gevestigd, Coopstad & Rochussen. Zij alleen al waren goed voor de gewelddadige verscheping van ongeveer 25.000 Afrikanen naar het Caraïbisch gebied.

Dit is de stad waar de firma Hudig als mede-eigenaar van tientallen plantages in Suriname en de rest van het Caraïbisch gebied het lot heeft bepaald van vele duizenden slaafgemaakten die onbetaald en met geweld hun leven lang op die plantages moesten doorbrengen.

Dit is de stad waar particulieren 1755 en 1775 meer dan 4,5 miljoen toenmalige guldens investeerden in Caraïbische plantages, omdat het zo’n goede belegging was voor weduwen en wezen. Wie de namen van die aandeelhouders leest komt zeker niet alleen de namen tegen van de top-elite van Rotterdam, er was ook een brede middenklasse die in slavernij investeerde.

Dit is de stad waar gedurende de hele slavernij in werkplaatsen en schuren tot in de wijde omgeving producten werden gemaakt om de slavenplantages draaiende te houden. Van touw en spijkers tot en met jenever en kaas. Iederéén was dus betrokken bij slavernij, bewust of onbewust.

Dit is óók de stad waar in februari 1842 de allereerste petitie aan de koning werd gestuurd, die pleitte voor afschaffing van de slavernij. En nog bijzonderder was het, dat dit een initiatief was van alleen maar Rotterdamse vrouwen; 129 in totaal en allemaal afkomstig uit de elite van havenbaronnen en anderen.

Dit is de stad waar families als Rochussen en Hudig voortleven in straatnamen, maar waar nog geen straten zijn vernoemd naar verzetshelden uit de slavernij als Tula of Boni.

Dit is de stad, dames en heren, die nu een monument neerzet dat het begin moet zijn van een proces. Een proces van samen werken aan de vraag hoe we oplossingen kunnen vinden voor de hedendaagse erfenissen van dat inhumane verleden. Zwarte Rotterdammers voelen die erfenissen in het dagelijks leven, witte Rotterdammers weten meestal niet eens dat ook zij erfgenaam zijn. Dit monument staat er zodat niemand ooit nog kan zeggen: Ik heb het nooit geweten.”