Yvonne Keunen (Bron: AD 15-6-2013): Slavernijverleden van Rotterdam in staal gevat

ROTTERDAM. Eén op de zes Rotterdammers is nazaat van slaven. De haven- stad speelde eeuwen- lang een grote rol in de mensenhandel voor de plantages overzee. Toch krijgt Rotterdam pas 150 jaar na de afschaffing van de slavernij een eigen bezinningsplek. Morgen wordt een levensgroot monument onthuld aan de Nieuwe Maas, de rivier waarop veel slaventochten begonnen.

Nog altijd is ze er ontzet over. Peggy Wijntuin, Surinaamse beschermvrouwe van de jaarlijkse feestdag Keti Koti (“verbreek de ketenen”) en initiatiefnemer van het slavernijmonument in het Lloydkwartier, verzorgde enkele jaren geleden lessen op zes Rotterdamse basisscholen in ‘witte wijken’.

“Er waren kinderen bij die nog nooit iemand met een zwarte huid in het echt hadden gezien. In Rotterdám. Een meisje van 10 jaar kwam na afloop zelfs vragen of ik ook een slavin was.”

Waarmee de PvdA-politica maar wil zeggen dat de gedeelde geschie- denis van Surinamers, Antillianen en witte Nederlanders nog bepaald geen gemeengoed is in de Maasstad. Dat moet anders, vindt Wijntuin.

“Dat ik hier ben, heeft een oorzaak.”

Op 1 juli 1863 werden de slaven in de toenmalige Nederlandse koloniën Suriname en de Antillen vrij verklaard. Tegenwoordig wonen meer dan 80.000 nazaten uit het Nederlands-Caribisch gebied in Rotterdam. Sommigen zijn directe nakomelingen van slaven, anderen stammen af van de contractarbeiders die later de slaven vervingen. Daarnaast dragen 23.000 Kaapverdische Rotterdammers hun eigen verleden met zich mee: de Portugezen testten hun slavernijsysteem eerst uit op de Kaapverdische Eilanden, voor ze in Brazilië aan de slag gingen.

Het zijn niet alleen al die nazaten die een slavernijmonument in de Maasstad rechtvaardigen. Rotterdam had een grote vinger in de pap wat mensenhandel betreft. “Vanaf de oprichting van de West Indische Compagnie in 1621 tot de afschaffing van de slavernij in 1863. In die periode werden in de voorname kantoren aan de Boompjes de belangrijke besluiten genomen over de slavernij,’’ zegt Alex van Stipriaan Luïscius. De hoogleraar Caribische geschiedenis aan de Erasmus Uni- versiteit laat er geen onduidelijk- heid over bestaan:

“Iedereen in de stad heeft er aan verdiend, van havenbaron tot touwslager.”

Het slavernijmonument staat op de kade van een nieuwe wijk in wor- ding, waar moderne appartemen- tencomplexen en oude pakhuizen met een nieuwe bestemming el- kaar afwisselen. Vanaf deze plek vertrokken ooit schepen vol vuurwapens, textiel en sterke drank naar West-Afrika, waar de lading werd geruild tegen slaven. De gevangenen werden op de Antillen en in Suriname verkocht, waarna de schepen huiswaarts keerden met een ruim vol suiker of koffie.

De Rotterdamse reder Van Coopstad & Rochussen was in de 18de eeuw de op één-na-grootste particuliere slavenhandelaar van Nederland.

“Dat weten we, omdat de verkoop van slaven handel was, en die werd goed bijgehouden,’’

zegt Van Stipriaan. Hij pakt er een inkoopjournaal van de Willem Carolina uit 1754 bij. “Voor twee geweren, drie vaten kruit, een zeil, een stuk textiel en kruiken jenever werd één slaaf gekocht.”

De ruilgoederen vertegenwoordigden een waarde van 47 guldens en 9 stuivers. “Dat bedrag was dus een mensenleven waard. Omgerekend zou je het nu over 2500 euro hebben.”

Tijdens die tocht werden 310 Afrikanen ingeladen. De man- nen, vrouwen en kinderen werden voor vijf keer de aankoopprijs verkocht.

“Er werd flink op verdiend.”

In 30 jaar tijd maakte Van Coopstad & Rochussen 68 slavenreizen waarop in totaal 25.000 Afrikanen werden vervoerd en verhandeld. ,,In totaal zijn onder Nederlandse vlag 600.000 mensen verscheept. En dat is de meest bewijsbare schatting,’’ zegt Van Stipriaan. “Waarschijnlijk zijn het er meer geweest.”

De mensen werden gevangen ge- nomen in de binnenlanden van Afrika, waarna ze naar de westkust moesten lopen. Een lange en barre tocht waarbij waarschijnlijk al 40 procent omkwam van ellende. Op zee stierf nog eens ruim 15 procent. “Voor een mannelijke slaaf was aan boord een ruimte van 180 bij 40 centimeter beschikbaar, voor vrou- wen en kinderen minder,’’ vertelt de hoogleraar.

“Tijdens de overtocht lagen ze in hun eigen zweet, uitwerpselen en braaksel. Je kunt je voorstellen hoe het daar rook.”

De enige beweging die ze kregen, was het dansen aan dek. Verplicht, onder begeleiding van een zweep. In Suriname werden de slaven gewassen, geschoren en bijgevoed. Niet uit menslievendheid, maar om de verkoopkansen op de veilingen te vergroten. “Vergelijk het met het oppoetsen van appels,” zegt Van Stipriaan cynisch. Eenmaal verkocht, kregen ze een brandmerk van de plantagehouder. Opdat voor altijd duidelijk was wiens eigendom ze waren.

Ook kregen ze Nederlandse namen toebedeeld. “Als de plantagehouder geen fantasie had of dronken was, kon die naam een maand van het jaar of een dag van de week worden.” Vooral mannen kregen vol- gens Van Stipriaan bizarre namen toebedeeld.

“Mijn theorie is dat sla- venhouders de mannelijke slaven als seksuele concurrenten be- schouwden en hen met absurde namen nog meer probeerden te ont- menselijken. Vrouwen waren potentiële bedpartners en kregen mooiere namen. Een achternaam kregen ze niet, zoals wij onze huisdieren ook alleen een voornaam geven.”

De afschaffing van de slavernij in 1863 was voor velen bepaald geen verlossing. Weliswaar kregen ze voortaan loon, maar na de slavernij begon volgens Van Stipriaan de geestelijke onderdrukking.

“De zweep werkte niet meer, daarom werd de arbeidsdiscipline voortaan bijgebracht met missie en onderwijs. Ze moesten christen worden en gehoorzaamheid leren.’’

De psychische krenkingen van toen werken door in de huidige maatschappij. Nog altijd geldt offi- cieus: hoe lichter de huidskleur, des te hoger het aanzien. “Hoeveel kroesharigen zie je in Nederland? Kroeshaar wordt steil gemaakt. Dat komt voort uit de geschiedenis. Je moest zoveel mogelijk op de kolonisator lijken,” zegt Wijntuin. Of neem de achternaam van het Rotterdamse gemeenteraadslid. “Geen enkele autochtoon heeft dezelfde naam.”

“Wijntuin” is bedacht door de Nederlandse koloniale ambtenaren, die na de afschaffing van de slavernij de arbeiders een achternaam gaven. “De willekeurigheid waarmee de slaven bejegend werden, was triest. De een heette Wijntuin, de ander Rellum of Nelom. Als je die namen omdraait, staat er muller en molen.” 

 

Bewondering

Toch was de rol van Rotterdam in de slavernij niet uitsluitend bedenke- lijk. In 1842 stuurden 129 elitevrou- wen uit de Maasstad een petitie naar de koning waarin de afschaffing van de slavernij werd bepleit.

De slavernij bracht ook niet enkel ellende, zegt Van Stipriaan.

“Op die plantages werd ook liefgehad en werden kinderen geboren. Er werd gefeest, muziek gemaakt en een eigen cultuur opgebouwd. Dat kun je zien als een vorm van verzet en daar mag je veel bewondering voor hebben.”

Dat het morgen te onthullen slavernijmonument niet alleen verwijst naar het donkere verleden van Rotterdam, maar ook naar de culturele toekomst van de stad, was de reden dat kunstenaar Alex da Silva de uitnodiging aannam om een ontwerp te maken. Want slavernij is een gevoelig onderwerp, waar de Rotterdamse Kaapverdiaan liever niet over praat. “Ik besloot het toch te doen, omdat het goed is voor mijzelf. Om na te denken over hoe ik mijn aanwezigheid hier zie.’’

Da Silva liet zich inspireren door een affiche van dansgezelschap Conny Janssen Danst. “Dans is niet alleen bevrijdend, het brengt ook culturen samen.” Hij ontwierp een slavenschip in de vorm van een mu- zieksleutel, erbovenop staan dansende figuren.  “Het is een muzikaal symbool geworden, als culturele expressie van de pijn. Zoals de jazz ook afkomstig is van de slavernij.’’ Als materiaal koos Da Silva verschil- lende soorten staal. “Ik wilde geen brons. Dat is zwaar, en past niet bij een onderwerp dat al zo zwaar is.”

Wijntuin vindt de plek van het monument, voor het futuristische gebouw van de STC Groep, voorheen het Scheepvaart en Transport College, gepast. “De opleiding adopteert het monument. En daar ben ik zó trots op,” zegt Wijntuin. Ze hoopt dat meer onderwijsinstellingen belangstelling tonen. “Docenten kunnen met hun klas naar de Lloydpier om daar het verhaal over de slavernij te vertellen. Mensen hebben iets tastbaars nodig om de geschiedenis te laten leven.”

 

Artikel door YVONNE KEUNEN
Gepubliceerd in Het Algemeen Dagblad, 15 juni 2013

Fotografie  Sanne Donders

 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *