Ahmed Aboutaleb, toespraak bij de herdenking bij het slavernijmonument op 30 juni 2014

Dames en heren,

Vandaag staan we bij elkaar bij dit monument om stil te staan bij een pijnlijke periode uit de wereldgeschiedenis. Pijnlijk om verschillende redenen. Pijnlijk op verschillende manieren.

 Er is om te beginnen de schaamte voor deze zwarte bladzijde uit de vaderlandse geschiedenis. Want die roemruchte Gouden Eeuw, die eeuw van welvaart en overvloed, van rijkdom en schone kunsten, had wel degelijk een schaduwkant. Tussen de vijftiende en de negentiende eeuw zijn ongeveer 12 miljoen Afrikanen naar Amerika getransporteerd. Nederland was verantwoordelijk voor ongeveer 6 procent van deze handel; als je dat al zou mogen zeggen ”handel”. Dat betekent dat door Nederlandse reders zo’n 600.000 slaven zijn getransporteerd van Afrika naar Amerika.
Dat is net zo veel als het aantal inwoners van de stad Rotterdam. Denk u eens in, alle Rotterdammers op de boot, in scheepjes met pakweg 300 mensen. Voor iedereen een ruimte van niet meer dan 1,80 meter bij 40 centimeter. Onaardig gezegd, maar ik zeg het toch maar:  dat is minder ruimte dan een dode in een doodskist toebedeeld wordt.

Dat was het vervoer, maar daarna begon de volgende ellende. Werken onder mensonwaardige omstandigheden op het land, op de plantages en in de mijnen.

 Natuurlijk is het geen werkelijkheid van nu, maar van een lange tijd terug. Slavenhandel werd ruim 200 jaar geleden afgeschaft, en zo’n 150 jaar geleden kwam er een verbod op slavernij binnen het koninkrijk. Maar daarmee zijn de sporen niet uitgewist. Want nog steeds roept het onderwerp heftige emoties op.

Zeker bij de ruim 80.000 mensen met wortels in het Nederlands Caribisch gebied. Velen stammen direct van de slaven af, anderen van de contractarbeiders die de slaven moesten vervangen nadat de slavernij was afgeschaft. Ook wonen hier zo’n 23.000 Kaapverdische

Rotterdammers die een eigen slavenverleden met zich meebrengen. Voor al deze Rotterdammers is de slavernij onderdeel van hun familiegeschiedenis, onderdeel van hun eigen DNA.

Rotterdam is een stad van vele nationaliteiten en van zovele herkomsten. Voortdurend komen er nieuwe bevolkingsgroepen bij, die hier een eigen bladzijde toevoegen aan de geschiedenis van de stad Rotterdam. Een stad is ook een leefwereld van geschiedenissen, die zich gaandeweg bundelen tot een geschiedenis van de stad. Geschiedenis verbindt ons aan elkaar.

Tegelijkertijd moet er ruimte zijn voor die mensen die nog steeds de pijn voelen van het verleden. Ik moet met u delen, dat ik, toen ik wethouder was in Amsterdam en ik met het Joods maatschappelijk werk te maken had, het mij heel moeilijk kon voorstellen, dat mensen tot in de derde generatie (dat zijn dus niet de mensen die de oorlog zelf hebben meegemaakt, maar hun ouders hebben verloren in één van de vreselijke verbrandingsovens, en ook niet de kinderen daarvan, maar de kinderen daarvan weer, in de derde generatie) pijn voelden van wat hun grootouders is overkomen. Ik kon mij dat nauwelijks voorstellen. Ik heb daar vele gesprekken over gevoerd, met heel veel mensen. En daarna pas werd het voor mij duidelijk dat er wel degelijk, zoveel generaties later, nog steeds pijn gevoeld wordt. En dat is voor de slavernij niet anders. Daarom moet er ruimte zijn voor de mensen die die pijn voelen. En die die pijn willen verwerken. En daar een eigen manier voor vinden. Dat met elkaar doen, binnen kerkelijke genootschappen, in hun andere hoedanigheden, maar ook bij dit monument in Rotterdam. Vandaar dat ik als burgemeester van de stad Rotterdam heel erg vóór dit monument ben en het heb toegejuicht dat het hier is neergezet.

Dit beeld staat niet alleen voor het verleden. Dit is een monument maar tegelijkertijd  staat het ook voor het heden. Wie nog steeds niet bereid is kennis te nemen van de moderne slavernij, zou toch met enige regelmaat moeten schrikken. Van kindertjes die in Afrika nog steeds worden gebruikt om in diepe schachten op zoek te gaan naar goud. Die mensen hebben weliswaar hun vrijheid om te gaan en staan waar ze willen, maar ze hebben niet meer de economische vrijheid om mens te zijn zoals zij dat zouden willen. Of al die mensen al dan niet op jonge leeftijd die in Azië worden ingezet op hele lange werkdagen om goedkope kleding te maken voor anderen in de wereld. Goedkoop, want dat moet het vooral zijn. Alsof die mensen ook een goedkoop gewicht hebben op deze aardbodem als mens. Wij kopen die kleding al dan niet bewust en pronken ermee. Ook die mensen hebben niet de economische vrijheid om te gaan en te staan waar zij willen, ook al hebben zij de menselijke vrijheid.

Als ik naar dit beeld kijk zie ik wel degelijk ook een vrolijke toekomst, een toekomst zonder uitbuiting en zonder ketenen. Dat is wel een toekomst waar we met zijn allen aan moeten werken. Het gaat niet vanzelf. Er moet door wereldleiders en lokale leiders aan de juiste knoppen worden gedraaid om de juiste verhoudingen tussen mensen te krijgen. Respect organiseren. En niet alleen tolerantie want die kan leiden tot negeren, maar juist pleiten voor acceptatie en saamhorigheid. Een toekomst met respect voor elkaars opvattingen. En respect, die gebaseerd is uiteindelijk op vrijheid. Zonder vrijheid kan er helemaal niks.

Ik waardeer het zeer dat ik hier vandaag heb mogen spreken. Want bij de onthulling een jaar geleden kon ik helaas niet bij zijn. Ik hoop van ganser harte dat het herdenken van de slavernij bij dit monument in de toekomst een vaste plek zal krijgen in ons aller agenda. Omdat het moet.

Dank u zeer.

Foto’s: Nielma Chiang San Lin-Harpal.