Herdenkingsspeech burgemeester
Ahmed Aboutaleb

30 juni 2022

Vandaag herdenken we de slachtoffers van de trans-Atlantische slavernij. Mensen die als levende have werden vastgeketend in scheepsruimen, op weg naar een erbarmelijk bestaan op een ander continent.
Mensen die verhandeld werden en zich letterlijk kapot moesten werken voor hun ‘eigenaar’, die met zijn brandmerk hun huid had verminkt.
Velen overleefden de overtocht niet. Velen overleefden de slavenarbeid niet. Velen kwamen in opstand, en moesten dat met de dood bekopen.

De slavenhandelaren in de Gouden Eeuw waren gewiekste ronselaars van arbeidskrachten. Daar stonden ze wereldwijd om bekend. Toch gaat het verhaal dat het allemaal wel meeviel. Dat andere landen – Groot-Brittannië, Frankrijk en Spanje – een veel grotere rol speelden in de slavenhandel.

Maar het viel niet mee, integendeel. Nederland is zelfs een aantal jaar de grootste geweest. Dat verhaal begint in Brazilië. De onbekendste kolonie van Nederland, veroverd op de Portugezen.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog veroverde Nederland de eerste Braziliaanse suikerplantages. Daar moesten tot slaaf gemaakten uit Afrika dwangarbeid verrichten. Brazilië, met al die natuurlijke rijkdom en exotische mensen, was hier het gesprek van de dag. Dat hoorde nu ‘bij ons’. We waren er trots op.

Kijk maar naar schilderijen uit die tijd. Een Afrikaanse vrouw met een mand fruit op haar hoofd en een baby op haar heup. Een Nederlandse vrouw in een kostbare jurk met een Afrikaans jongetje in de schaduw van haar rokken.

Vervolgens wilde de WIC de grip op de slavenhandel en de suikerproductie vergroten. Terwijl hier in Nederland de slavernij al was afgeschaft. Dat vond men een achterhaalde, barbaarse activiteit. Aan deze kant van de oceaan, welteverstaan.

Die strategische keuze van de WIC werd goedgepraat met de Bijbel in de hand: daarin meenden bestuurders en bewindhebbers te lezen dat donkere mensen zijn gedoemd als slaven van slaven te leven.

De WIC sloot in West-Afrika overeenkomsten met lokale machthebbers en tussenhandelaren om ‘menselijk koopwaar’ aan te leveren. De slachtoffers werden gevangen gezet in Nederlandse forten en vervolgens per zeilschip vervoerd naar Brazilië. Door uitputting, ziekte en wreedheid overleefden velen de reis niet.

Brazilië bleef niet lang in Nederlandse handen. De Portugezen heroverden de plantagegebieden. De kolonie ging verloren. Maar de Nederlandse invloed bleef bestaan.
Het geleerde werd vervolgens toegepast op andere onderdelen van de trans Atlantische handelsactiviteiten.

Dat wierp zijn wrange vruchten af. Nederlandse slavenschepen waren tussen 1650 en 1675 verantwoordelijk voor maar liefst de helft van alle slaventransporten over de Atlantische oceaan. Bijna 68.000 mensen. Achtenzestigduizend.

Het verlies van Brazilië was vernederend voor Nederland. Er werd naarstig naar een nieuwe kolonie gezocht. Dat werd Suriname, verruild met de Britten voor Nieuw-Amsterdam (New York). Al snel werden miljoenen ponden suiker per jaar geproduceerd door duizenden tot slaaf gemaakte mensen.

De herinnering aan het Nederlandse slavernijverleden wordt gedragen door Afro-Nederlandse nazaten van slaafgemaakte mensen uit Suriname, Curaçao en de kleinere eilanden.
Brazilië is een verborgen voorloper van dit verleden.

Dit verhaal is ook nodig om onze geschiedenis compleet te maken. Want in die tijd ontstond het denkbeeld dat Nederland – Europa – superieur was aan het overzeese onbekende, het exotische. Dat we daarover konden heersen.
Kolonialisme en slavernij gaan hand in hand.

De Rotterdamse familie De Mey vergaarde een kapitaal met hun suikerraffinaderijen in onze stad. De ruwe suiker werd geproduceerd door slaafgemaakte Afrikanen in Brazilië en later in Suriname en het Caribisch gebied. De familie De Mey leverde in de loop der tijd burgemeesters, bewindhebbers
van de WIC en leden van de Rotterdamse Admiraliteit. Wat wisten zij van de slavernij?

Alles. Dat is terug te lezen in boekhoudkundige verslagen en correspondentie. Veel werd in detail bijgehouden, van ingekochte spijkers tot welke slaafgemaakte vrouw een kind had gekregen. Want ook dat kind werd tot het bezit gerekend. Veel leden van de familie De Mey hebben hun suikerplantages bezocht en deden verslag van hun reis, eenmaal terug in Rotterdam.

Naast de familie De Mey zijn er talloze Rotterdamse families geweest die een fortuin hebben vergaard met koloniale handel.
Met dat fortuin verworven ze status en invloed in de samenleving en het gemeentebestuur. Zo stelden ze hun belangen veilig. Voor die rol van onze voorgangers heb ik eind vorig jaar excuses aangeboden namens het college van B en W.

Het gaat er bij excuses niet om schuldigen aan te wijzen. Het gaat om erkenning van het menselijk leed dat voortkwam uit kolonialisme en slavernij. Deze week verschenen er berichten dat excuses van de Staat der Nederlanden er voorlopig nog niet in zit. Men schijnt het onderwerp “ingewikkeld” te vinden.

Ook de timing schijnt een punt van discussie te zijn. Er is in mijn ogen maar één datum geschikt: 1 juli 2023. Een historisch moment. Die dag is het 160 jaar geleden dat Nederland de slavernij in Suriname en op de Nederlandse Antillen afschafte.

Laat je hart spreken, zou ik zeggen. En maak van Keti Koti een nationale feestdag om ons gedeeld verleden en kleurrijke toekomst te vieren.